Brussels kortverhaal. Vind je op http://woordenstroom.org/html/dries_cools.html
maart 18, 2010
Je geluiden dringen binnen. Getoeter, een schreeuwende stem, een drilboor, een verloren vogel. Op de achtergrond je eeuwige geruis. Ik open het raam: een prikkelige ochtendzon. Lente is het voor iedereen: voor je wegenwerkers beneden, je schuifelende gesluierde vrouw, je gehaaste man in pak, je kat bij de overburen, zonnend op de afgrond.
Ik kijk uit over je daken. In het midden de ranke toren van je stadhuis. Er rond: je glazen blokken vervlogen geloof in vooruitgang. Tussenin: een onvoltooide puzzel van daken en schoorstenen. Iedereen zijn eigen paradijsje, zijn toevlucht.
Je leeft, bent zoals wij. Niet perfect. Je draagt je littekens, gelaten, in stijl. Je draagt je sporen van je jeugdig enthousiasme, je eeuwenoude fierheid. Elke tijd liet iets in je achter. Elk tijdsbestek weer wou opnieuw met je beginnen, je opnieuw inrichten. Met jou als resultaat: prachtig verminkte bastaard, doorleefd, vol van geschiedenis. Nooit ben je onder een stolp geplaatst. Dag na dag verander je: krijg je nieuwe uitkijkposten, nieuwe stations, gaat de sloophamer tegen je aan.
Je hebt het allemaal gezien: tijden, culturen, werelden. Niets verbaast je nog, niets stoot je nog tegen de borst, geen contrast is je te veel. Onverstoorbaar ben je geworden, postmoderne stoïcijn. Mensen stromen je binnen, verlaten je. Mensen spuwen je uit, verafgoden je. Je blijft jezelf, je ongrijpbare verbrokkelde zelf. Je lanen snijden je in dorpen, je talen delen je op in gemeenschappen.
Toch ben je één. Ik proef je. Ruik je. Op een charmante kasseihelling. Tussen de zakken olijven en dadels van je markten. De 4×4’s die scheuren over je brede boulevards. De warme wafelgeur in je lange metrogangen. Het dampende gras van je parken.
De lucht is zwanger van je. Ik deel je lief, je leed.
december 13, 2009
De herinnering sloeg toe, onaangekondigd. Een melancholische wolk kwam over me te hangen, een nucleaire stofwolk met de geur van een regenachtige Parijse boulevard. Ik verbaasde me eerst, en wentelde me toen in het stof. Mijn maag kromp, de horizon betrok.
Maar toen was zij er, Zij. Zij toonde me de nooduitgang. Ik wrikte eerst aan de klink, maar de deur bleef muurvast. Ze glimlachte, mijn nimf op haar wolk. Ze stuurde haar wolk, kraaknet gewassen, tot vlak naast me, en keek me meewarig verleidend diep in de ogen. Ik was Orpheus. Achteromkijken mocht niet meer, voor me lag de toekomst van een gelukzalig verleden. Ik had maar één kans; ik moest het meteen goed doen. Ik dacht aan mijn verleden, aan bekladde schoolbanken en verre busritten. De verbrande geur van een krijsende metro dreef door de straten. Mijn leven leek een versleten beeldopname van de stad in haar gloriedagen.
De nooduitgang keek me aan, uitdagend in haar groen licht. Met mijn muze kon ik het. Maar ik besloot niet te besluiten en het was enkel nog uit lippendienst aan mijn idealen dat ik de klink aanraakte. Ik bedacht dat de deur op slot zat en mijn muze loste op, niet gehinderd door realiteitsbesef. Ik liep terug, onder een mistige hemel, mijn gebruikelijke weg blind aflopend. Ik zag de schaduwen op de wand van de grot. De smid sloeg op zijn aambeeld, de leerlooier sopte in zijn ton. Gedisciplineerd kweten zij zich van hun dagtaak. Ik glimlachte, niet geheel ontevreden, en liep verder.
december 2, 2009
Zij kwamen, volgens plan.
Wij bogen ons hoofd, zo hoorde het.
Messen blonken
stemmen galmden
Tot de stilte kwam,
de dageraad. volgens plan.
Wij huilden zachtjes
veegden voor de stoep
in stilte, wachtend.
augustus 1, 2009
De kleuren van verre verlangens
geuren nog in de nabije kamer
Ik probeer ze vast te grijpen
Maar verzink in nastaren
Je gezicht is er niet
je zachte hals evenmin
je bent mijn creatie
vaag en veraf
In mijn kamer geurt het pizza
en kleurt het vreemde stemmen
Ik snij een geitenvel in reepjes
maar krijg geen deel van de wereld
juli 26, 2009
De maan gaat onder. Warmte stroomt door mijn aderen. Hoe ga ik om me die stille grandeur? Ik kijk en sta perplex, innig, gelovend om dit mythische spektakel. Ik voel, ik weet, ik zie, ik weet niet wat, maar zo is het. De beslommeringen van het ondermaanse lijken ver weg. Ik kijk gelaten naar het ontsporen van de wereldeconomie, naar het fijn stof in de lucht waardoor we allen een jaar minder lang leven. Het leven is niet perfect, zo is het nu eenmaal. Het luide geroep van de wereldverbeteraar verstomt, mijn eigen wankele grote gelijk smelt in het zicht van het oneindige. De maan ademt goedheid; ik probeer met volle teugen te ademen, ik weet dat morgen mij een overvolle agenda wacht, en een reeks praktische noodzakelijkheden. Hopelijk blijft mij morgen nog een sprankeltje oneindigheid bij om de dag door te komen, om rust uit te stralen, om hardschreeuwerig ego-idealisme te laten verzinken in authentieke goedheid.
juli 22, 2009
Een korset rond mijn hart
Rustig ademhalen, jongen
alles komt heus wel in orde
blik vooruit, focus, mate
En ik adem in
rozengeur, verdovende dampen
Voor even gelukzalig
stap ik rustig door
De winden gaan liggen
de weg blijkt netjes
Gemakkelijk toch?
Doorgaan, jongen.
24 mei 2009, Cordoba, Argentinie
juli 20, 2009
23 juni 2009, 10 uur ´s avonds, op het Zonne-eiland in het Titicacameer, Bolivië. In de verte, op het Maaneiland, knalt het vuurwerk en flakkert het vuur. Net als in Spanje wordt de Noche de San Juan (de Nacht van de Heilige Johannes) uitbundig gevierd rond 21 juni. Het begin van de winter, en op vierduizend meter hoogte is het hier niet even warm als op de stranden van Valencia, maar dat hoeft geen probleem te zijn. De ligging van het Titicacameer is er niet minder indrukwekkend om. Het Titicacameer, dat is een reusachtig diepblauw meer omgeven door de besneeuwde toppen van de Andes. Het Titicacameer, dat is ook de tweede grootste zoetwaterreserve van Zuid-Amerika, geklemd tussen Bolivië en Peru.
In mijn verbeelding is het Titicacameer altijd een van die zeldzame mythische plaatsen op aarde geweest, net als Timboektoe en Zanzibar. Het meer is mij gehuld in een nevel van mystiek exotisme die ik probeer te begrijpen, nu ik hier zit, met uitzicht op het meer. Met sacraliteit heeft het van doen. Voor de Aymara´s, die in deze streken wonen, is het meer altijd heilig geweest. Volgens de overlevering werd op het Zonne-eiland de Zon geboren, mannelijk en krachtig. En op het Maaneiland werd de Maan geboren, vrouwelijk en lieflijk. Uit het huwelijk tussen Zon en Maan ontsproot Pacha Mama, moeder Aarde. Respect voor het leefmilieu is voor de Aymara´s dan ook een religieus beginsel.
De Noche de San Juan kwam pas later hierheen, nadat Francisco Pizarro in de eerste helft van de zestiende eeuw deze contreien ontdekte. Dat was een kleine eeuw nadat de Inca´s vanuit Cuzco de Aymaracultuur rond het Titicacameer bij hun rijk hadden ingelijfd. Met de Spanjaarden kwam ook de verering van de Maagd Maria. Met de nodige repressie en geloofsijver vermengde de verering van Pacha Mama zich met de verering van de Heilige Maagd. Al snel verrrichte zij hier enkele mirakels en ter harer ere werd een reusachtige witte kathedraal gebouwd in Copacabana. Copacabana, niet te verwarren met het gelijknamige Copacabana in Rio de Janeiro, was al onder de Inca´s een heilige plaats. Onder de Spanjaarden echter werd dit een bedevaartsoord van formaat, te vergelijken met Scherpenheuvel. Maria-beelden worden hier verkocht in alle formaten, in alle kleuren, al dan niet onder een stolp van glas.
Hoe hard ook geprobeerd is de religieuze alteriteit uit te strijken, de oude religieuze gebruiken zijn zeker nog niet uitgeblust. Getuige daarvan is het Aymara-nieuwjaar, dat elk jaar op 21 juni gevierd wordt tussen de ruïnes van Tiahuanaco. Ongeveer van zeshonderd vóór Christus tot negenhonderd na Christus was Tiahuanaco het religieuze en politieke hart van een hoog ontwikkelde beschaving. De jaarkalender van de Tiahuanacano´s, die erg onderlegd waren in de astronomie, begint op de kortste dag van het jaar. In het zuidelijk halfrond is dat 21 juni. Dit wordt nog steeds massaal gevierd, en niet alleen in Tiahuanaco, maar in alle Aymara-gemeenschappen in Bolivië. Vorig jaar was Evo Morales, Boliviaans president en zelf Aymara, erbij in Tiahuanaco. Dit jaar werd het nieuwe jaar 5517 feestelijk ingezet. Een feest dat zo oud is, valt niet zomaar weg te slaan uit het collectieve geheugen. De hele nacht van twintig op 21 juni wordt er elk jaar in de vrieslucht van Tiahuanaco gedanst en gefeest dat het een lieve lust is. Voor sommigen is het gewoon een goed festival, voor anderen zit er heel wat meer achter. Een tijdje voor zonsopgang verzamelt iedereen bij de ruïnes, om te zien hoe de eerste zonnestralen door de Poort van de Zon schijnen. De eerste zonnestralen van het nieuwe jaar laat je dan op je handpalmen schijnen; zij geven je energie. Duizenden handen gaan dan de lucht in, de Zon schijnt, muziek ontbrandt en de massa breekt uit in een spontaan gedans in de ochtendstond.
De Heilige Maagd en Pacha Mama: het syncretisme valt je hier op. Wat ook niet te miskennen valt, is het toegenomen cultureel zelfbewustzijn van de Aymara´s, zeker nu een van hen, Evo Morales in 2006 president geworden is. Daarmee hebben de Aymara´s en andere oorspronkelijke etnieën de ultieme publieke erkenning gekregen van hun levensstijl en van hun identiteit. Evo Morales´ foto hangt hier overal op, zijn populariteit onder de Aymara´s is nog steeds ongekend hoog. Een renaissance van de Aymara-cultuur.
24 juni, Isla del Sol, Titicacameer, Bolivië
juni 28, 2009
Alleen zit ik aan tafel, gedekt met een roodpaars gesponnen linnen. Romige muziek, ietwat uitgesponnen, komt me gelukzalig tegemoet. Ik bevind me op de mooiste plek ter wereld en ben gelukkig. Meer moet dat niet zijn. Geen auto´s, geen schreeuwerige lichtreclame, geen opdringerige verkopers, geen probleem van onveiligheid. Deze plek is het paradijs, ik weet het zeker. Daarnet nog zag ik de zon zakken, die nam haar tijd. Een ezel balkte, de hemel wisselde van kleur. Een eiland werd bruin, oranje, en dan zwart. Een vrouw met lange vlechten en gehuld in het roodpaars stapte voorbij, terug van haar dagtaak, een ingeslapen baby op de rug.
Niets anders restte me nog dan de damp van een dikke groentesoep, een zoet glas rode wijn, een boek en mijn schriftje, mijn toevlucht in tijden van eenzaamheid en reflectie. Maar ik genoot, zo besefte ik, van de eenzaamheid, en schrijven deed ik niet uit nood. Ik deed het omdat ik het graag deed. Wat een voorrecht om te mogen schrijven op de mooiste plek ter wereld.
Ik herstelde van een griep en genoot ervan om ziek te zijn. Een eer was het, ziek te zijn op de mooiste plek ter wereld. Geen verantwoordelijkheden, geen verplichting om te werken, om dingen te bezoeken. Het perfecte excuus om gewoon niets te doen, om een dag door te brengen met mijn schriftje en het mooiste uitzicht ter wereld. Wat ik ook deed, welke pas ik ook zette, het kostte me moeite, dus deed ik het niet. Ik hoopte nog even ziek te mogen blijven. Weken had ik hier ziek kunnen zijn, met de dampende groentensoep voor me en de onbegrepen woorden van dit lieflijke volk op de achtergrond.
Ik voelde een diepe genegenheid voor dit volk, dat ik voorbij zag trekken; de vrouwen met een onbegrijpelijke hoeveelheid bagage op de rug; de mannen met een melancholische ingetogenheid in hun ogen die niet wijken wou voor de flitsende billen van de presentatrice van de commerciële omroep. Een geslagen volk waren zij. Por Dios, un pueblo tan golpeado… Gelaten waren zij. Zij waren gestorven in de zilvermijnen, geveld door vreemde ziekten, verdreven van hun land. Zij hadden moeten toezien hoe hun eigenste Pacha Mama aangerand werd, gegeseld, en zij hadden, met tranen in de ogen, zelfs moeten meedoen aan de kastijding van Pacha Mama. Door hun tranen hadden zij nog het oneindige begrip kunnen lezen in de rode ogen van Pacha Mama. De enige troost die ze hadden, was dat Pacha Mama nooit sterven zou. Maar ondertussen stonden de aderen van Pacha Mama wijd open, stroomde zij leeg in een wereld van strijd en eigenbelang.
Na zovele jaren rode ogen en aderlatingen had Pacha Mama zich teruggetrokken op de mooiste plek ter wereld, het eiland waar zij geboren was uit een harmonieuze unie tussen de zon en de maan. Hier likte zij haar wonden, drukte zij haar lijdende volk tegen zich aan. Hier heerste nog wat van de magie die elders verloren was gegaan in overvolle agenda´s en het eeuwige geluid van een snelweg op zondagmiddag. Hier was het een voorrecht alleen te zijn, ziek te zijn op de mooiste plek ter wereld, om hier wat te mogen kladden in mijn schriftje. Nederig dronk ik mijn dampende groentensoep op en en rolde ik een traan. Een traan voor Pacha Mama.
Isla del Sol, Titicacameer, Bolivië, 24 juni 2009
november 9, 2008
Weten dat een koffie
verkeerd gezet is onder grijze sterrenhemels
doorsneeuwd van jazzmuziek
de cafféine in mijn aderen
de luie zetels van een zondagmiddag
Nog een slok neem ik
wieg zachtjes mijn hoofd
dartel weg over melancholische landwegen
verholen onder lange toonladders
dans weg – stijgende euforie-
naar verlaten melkwegen
en een poëtische slotapotheose