Alleen zit ik aan tafel, gedekt met een roodpaars gesponnen linnen.  Romige muziek, ietwat uitgesponnen, komt me gelukzalig tegemoet.  Ik bevind me op de mooiste plek ter wereld en ben gelukkig.  Meer moet dat niet zijn.  Geen auto´s, geen schreeuwerige lichtreclame, geen opdringerige verkopers, geen probleem van onveiligheid.  Deze plek is het paradijs, ik weet het zeker.  Daarnet nog zag ik de zon zakken, die nam haar tijd.  Een ezel balkte, de hemel wisselde van kleur.  Een eiland werd bruin, oranje, en dan zwart.  Een vrouw met lange vlechten en gehuld in het roodpaars stapte voorbij, terug van haar dagtaak, een ingeslapen baby op de rug.

 

Niets anders restte me nog dan de damp van een dikke groentesoep, een zoet glas rode wijn, een boek en mijn schriftje, mijn toevlucht in tijden van eenzaamheid en reflectie.  Maar ik genoot, zo besefte ik, van de eenzaamheid, en schrijven deed ik niet uit nood.  Ik deed het omdat ik het graag deed.  Wat een voorrecht om te mogen schrijven op de mooiste plek ter wereld.

 

Ik herstelde van een griep en genoot ervan om ziek te zijn.  Een eer was het, ziek te zijn op de mooiste plek ter wereld.  Geen verantwoordelijkheden, geen verplichting om te werken, om dingen te bezoeken.  Het perfecte excuus om gewoon niets te doen, om een dag door te brengen met mijn schriftje en het mooiste uitzicht ter wereld.  Wat ik ook deed, welke pas ik ook zette, het kostte me moeite, dus deed ik het niet.  Ik hoopte nog even ziek te mogen blijven.  Weken had ik hier ziek kunnen zijn, met de dampende groentensoep voor me en de onbegrepen woorden van dit lieflijke volk op de achtergrond.

 

Ik voelde een diepe genegenheid voor dit volk, dat ik voorbij zag trekken; de vrouwen met een onbegrijpelijke hoeveelheid bagage op de rug; de mannen met een melancholische ingetogenheid in hun ogen die niet wijken wou voor de flitsende billen van de presentatrice van de commerciële omroep.  Een geslagen volk waren zij.  Por Dios, un pueblo tan golpeado…  Gelaten waren zij.  Zij waren gestorven in de zilvermijnen, geveld door vreemde ziekten, verdreven van hun land.  Zij hadden moeten toezien hoe hun eigenste Pacha Mama aangerand werd, gegeseld, en zij hadden, met tranen in de ogen, zelfs moeten meedoen aan de kastijding van Pacha Mama.  Door hun tranen hadden zij nog het oneindige begrip kunnen lezen in de rode ogen van Pacha Mama.  De enige troost die ze hadden, was dat Pacha Mama nooit sterven zou.  Maar ondertussen stonden de aderen van Pacha Mama wijd open, stroomde zij leeg in een wereld van strijd en eigenbelang.

 

Na zovele jaren rode ogen en aderlatingen had Pacha Mama zich teruggetrokken op de mooiste plek ter wereld, het eiland waar zij geboren was uit een harmonieuze unie tussen de zon en de maan.  Hier likte zij haar wonden, drukte zij haar lijdende volk tegen zich aan.  Hier heerste nog wat van de magie die elders verloren was gegaan in overvolle agenda´s en het eeuwige geluid van een snelweg op zondagmiddag.  Hier was het een voorrecht alleen te zijn, ziek te zijn op de mooiste plek ter wereld, om hier wat te mogen kladden in mijn schriftje.  Nederig dronk ik mijn dampende groentensoep op en en rolde ik een traan.  Een traan voor Pacha Mama.

Isla del Sol, Titicacameer, Bolivië, 24 juni 2009