De maan gaat onder.  Warmte stroomt door mijn aderen.  Hoe ga ik om me die stille grandeur?  Ik kijk en sta perplex, innig, gelovend om dit mythische spektakel.  Ik voel, ik weet, ik zie, ik weet niet wat, maar zo is het.  De beslommeringen van het ondermaanse lijken ver weg.  Ik kijk gelaten naar het ontsporen van de wereldeconomie, naar het fijn stof in de lucht waardoor we allen een jaar minder lang leven.  Het leven is niet perfect, zo is het nu eenmaal.  Het luide geroep van de wereldverbeteraar verstomt, mijn eigen wankele grote gelijk smelt in het zicht van het oneindige.  De maan ademt goedheid; ik probeer met volle teugen te ademen, ik weet dat morgen mij een overvolle agenda wacht, en een reeks praktische noodzakelijkheden.  Hopelijk blijft mij morgen nog een sprankeltje oneindigheid bij om de dag door te komen, om rust uit te stralen, om hardschreeuwerig ego-idealisme te laten verzinken in authentieke goedheid.