De herinnering sloeg toe, onaangekondigd. Een melancholische wolk kwam over me te hangen, een nucleaire stofwolk met de geur van een regenachtige Parijse boulevard. Ik verbaasde me eerst, en wentelde me toen in het stof. Mijn maag kromp, de horizon betrok.
Maar toen was zij er, Zij. Zij toonde me de nooduitgang. Ik wrikte eerst aan de klink, maar de deur bleef muurvast. Ze glimlachte, mijn nimf op haar wolk. Ze stuurde haar wolk, kraaknet gewassen, tot vlak naast me, en keek me meewarig verleidend diep in de ogen. Ik was Orpheus. Achteromkijken mocht niet meer, voor me lag de toekomst van een gelukzalig verleden. Ik had maar één kans; ik moest het meteen goed doen. Ik dacht aan mijn verleden, aan bekladde schoolbanken en verre busritten. De verbrande geur van een krijsende metro dreef door de straten. Mijn leven leek een versleten beeldopname van de stad in haar gloriedagen.
De nooduitgang keek me aan, uitdagend in haar groen licht. Met mijn muze kon ik het. Maar ik besloot niet te besluiten en het was enkel nog uit lippendienst aan mijn idealen dat ik de klink aanraakte. Ik bedacht dat de deur op slot zat en mijn muze loste op, niet gehinderd door realiteitsbesef. Ik liep terug, onder een mistige hemel, mijn gebruikelijke weg blind aflopend. Ik zag de schaduwen op de wand van de grot. De smid sloeg op zijn aambeeld, de leerlooier sopte in zijn ton. Gedisciplineerd kweten zij zich van hun dagtaak. Ik glimlachte, niet geheel ontevreden, en liep verder.