Je geluiden dringen binnen.  Getoeter, een schreeuwende stem, een drilboor, een verloren vogel.  Op de achtergrond je eeuwige geruis.  Ik open het raam: een prikkelige ochtendzon.  Lente is het voor iedereen: voor je wegenwerkers beneden, je schuifelende gesluierde vrouw, je gehaaste man in pak, je kat bij de overburen, zonnend op de afgrond.

 Ik kijk uit over je daken.  In het midden de ranke toren van je stadhuis.  Er rond: je glazen blokken vervlogen geloof in vooruitgang.  Tussenin: een onvoltooide puzzel van daken en schoorstenen.  Iedereen zijn eigen paradijsje, zijn toevlucht.

 Je leeft, bent zoals wij.  Niet perfect.  Je draagt je littekens, gelaten, in stijl.  Je draagt je sporen van je jeugdig enthousiasme, je eeuwenoude fierheid.  Elke tijd liet iets in je achter.  Elk tijdsbestek weer wou opnieuw met je beginnen, je opnieuw inrichten.  Met jou als resultaat: prachtig verminkte bastaard, doorleefd, vol van geschiedenis.  Nooit ben je onder een stolp geplaatst.  Dag na dag verander je: krijg je nieuwe uitkijkposten, nieuwe stations, gaat de sloophamer tegen je aan.

 Je hebt het allemaal gezien: tijden, culturen, werelden.  Niets verbaast je nog, niets stoot je nog tegen de borst, geen contrast is je te veel.   Onverstoorbaar ben je geworden, postmoderne stoïcijn.   Mensen stromen je binnen, verlaten je.  Mensen spuwen je uit, verafgoden je.  Je blijft jezelf, je ongrijpbare verbrokkelde zelf.  Je lanen snijden je in dorpen, je talen delen je op in gemeenschappen. 

 Toch ben je één.  Ik proef je.  Ruik je.  Op een charmante kasseihelling.  Tussen de zakken olijven en dadels van je markten.  De 4×4’s die scheuren over je brede boulevards.  De warme wafelgeur in je lange metrogangen.   Het dampende gras van je parken.

De lucht is zwanger van je.  Ik deel je lief, je leed.